| | Woord | Omschrijving |
|
| Albinisme | Albinisme is het aangeboren ontbreken van het pigment melanine in haar of huid, wat resulteert in een gedeeltelijk of geheel witte huid en rode ogen. Die huid is erg gevoelig voor de zon en verbrandt snel. Het wordt algemeen beschouwd als een afwijking, omdat bij de meeste soortgenoten wel pigment aanwezig is. Men maakt onderscheid tussen:
oculair albinisme, deze vormen vererven geslachtsgebonden;
oculocutaan albinisme (OCA), deze vererven alle autosomaal recessief. |
|
| Albino | Albino’s zijn mensen, dieren, of planten met een aangeboren afwijking. Zij ontbreken het pigment melanine in huid, haar veren en ogen. Dit heeft als resultaat een gedeeltelijk of geheel witte huid, wit haar, witte veren en rode ogen. |
|
| Allelomorf | Een van de twee bij elkaar horende genen van tegengesteld karakter |
|
| Aminozuur | Bouwstof van de eiwitten.
Een organische verbinding die zowel een carboxylgroep (-COOH) als een aminegroep (-NH2) bezit. Meestal wordt in de biochemie met aminozuren specifiek α-aminozuren bedoeld. α-Aminozuren zijn de bouwstenen van peptiden en proteïnen. |
|
| Autosomaal | Adjectief afgeleid van het woord autosoom. Autosomale eigenschappen zijn eigenschappen die op de autosomen liggen. |
|
| Autosomale vererving | Vererving van kenmerken of eigenschappen die zijn gelegen op autosomen. |
|
| Autosoom | Een autosoom is een chromosoom dat geen geslachtschromosoom is. Bij vogels dus niet het X of Y-chromosoom, maar één van de andere chromosomen (het adjectief afgeleid van dit woord is autosomaal). Autosomale eigenschappen zijn eigenschappen die op de autosomen liggen. |
|
| Bastaard | Basterd, hybride, kruisingsproduct.
Product ontstaan uit de versmelting van mannelijke en vrouwelijke gameten die een ongelijke chromosomenopbouw bezitten (tussen twee verschillende soorten of rassen). Bastaarden zijn meestal onvruchtbaar. |
|
| Bèta-caroteen | Bèta-caroteen is een precursor voor vitamine A (retinol) en wordt daarom ook wel provitamine A genoemd. Het zorgt – net als vitamine A – voor een goede weerstand en is erg belangrijk voor het gezichtsvermogen, maar ook voor gezonde botten, tanden, huid en haar en voor de groei. Bèta-caroteen is een anti-oxidant waardoor het schadelijke vrije radicalen neutraliseert. |
|
| Bewolkte zone | Een ringvormige structuur rond de kern in de cortex van een veer. |
|
| Canthaxantine | Canthaxantine (E161g) is een natuurlijke kleurstof die in veren van vogels kan voorkomen. Ze wordt vooral uit bèta-caroteen gesynthetiseerd. |
|
| Carophyll | Carophyll is een astaxanthine-product van de tweede generatie. Astaxanthine is een carotenoïde, meer bepaald een xantofyl. Het is een kleurstof die toegelaten is onder E-nummer E161j. Astaxanthine komt voor in microalgen, gist, zalm, forel, krill, garnaal, kreeft, krab en de veren van sommige vogels. Astaxanthine wordt, in tegenstelling tot sommige andere carotenoïden, in het menselijk lichaam niet omgezet in vitamine A. Het is een sterk antioxidans, tien keer sterker dan andere carotenoïden. Men vermoedt dat het daarom in planten en dieren voorkomt, als bescherming tegen ultraviolet (zon)licht. Astaxanthine komt in de natuur voor, maar wordt vooral kunstmatig aangemaakt uit aardolie. Het vindt toepassing als voedingssupplement voor mensen en dieren, vooral om voeding te kleuren, gekweekte zalm een roze kleur te geven en oranje kanaries een rode lipochroomkleur te geven. |
|
| Caroteen | Caroteen is een oranje kleurstof dat tot de groep van de carotenen behoort. Caroteen is een anti-oxidant. Er zijn twee verschillende vormen, die alleen aan het eind van de structuurformule van elkaar verschillen:
alfa-caroteen
bèta-caroteen |
|
| Carotenoïden | Carotenoïden omvatten een omvangrijke groep van gele tot roodachtige kleurstoffen. Bij vogels komen ze vooral voor in de chromoplasten en plastiden van huid, veren en eigeel, wanneer zij via hun voedsel deze kleurstoffen binnenkrijgen. Meestal bestaan carotenoïden uit onverzadigde koolwaterstofketens en hun oxidatieproducten. Ze worden onderverdeeld in:
caroteen, dat alleen uit koolstof en waterstof bestaat en
xantofyl, dat zuurstofhoudende derivaten van caroteen zijn.
De meest voorkomende vormen van carotenoïden in voedingsmiddelen zijn:
alfa-caroteen,
bèta-caroteen,
bèta-cryptoxanthine,
luteïne,
zeaxanthine en
lycopeen.
Waarvan alleen de eerste drie genoemde carotenoïden in het lichaam kunnen worden omgezet in retinol ofwel vitamine A. |
|
| Chromatide | Tijdens de kerndeling (mitose of meiose) verkeren chromosomen in een verdubbelde toestand. Beide chromosomen zitten dan op één plaats aan elkaar (het centromeer). In deze toestand worden de chromosomen elk met de term chromatide aangeduid. Als de kerndeling teneinde is en de beide chromatiden van elkaar gescheiden zijn, dan worden ze elk met de term (dochter)chromosoom aangeduid. |
|
| Chromosoom | Een chromosoom [Grieks: chroma = kleur; soma = lichaam] is een drager van een deel van het erfelijk materiaal (DNA) van een (meercellig) organisme.
Bij diploïde organismen, ook bij vogels, komen chromosomen voor in paren van homologe chromosomen, waarbij één exemplaar van de moeder komt en het andere van de vader. Homologe chromosomen hebben een gelijke opbouw, maar zijn niet identiek.
Er zijn autosomen of niet geslachtsgebonden chromosomen en geslachtschromosomen X en Y. |
|
| Chromosoom mutatie | Mutatie door het wegvallen van een deel van een chromosoom of door het keren van een deel van een chromosoom of het overgaan van een deel chromosoom naar een ander soortig niet-homoloog chromosoom. |
|
| Chromosoomgarnituur | Het aantal soorteigen chromosomen. |
|
| Chromosoompatroon | Karakteristiek chromosoombeeld van het individu. |
|
| Complementair | Elkaar aanvullend; samen met een andere factor een bepaald kenmerk veroorzaken. |
|
| Copuleren | Paren. |
|
| Cortex | Het gedeelte tussen de kern en de hoornlaag van een veer. |
|
| Crossing-over | Zie recombinatie. |
|
| Cryptoxanthine | Eén van de bij vogels voorkomende rode carotenoïde kleurstoffen. |
|
| Cultivering | Het kunstmatig doen aanpassen aan bepaalde levensvoorwaarden. |
|
| Cultures | Eén onbepaald aantal kweekprodukten. |
|
| Degeneratie | Ontaarding, achteruitgang van (goede) eigenschappen. Ontwikkeling van niet gewenste eigenschappen zoals b.v. de onvruchtbaarheid of het kleiner worden dan de oorspronkelijke grootte. |
|
| Differentiatie | Het ontstaan van de verschillende organen tijdens de groei van een individu. |
|
| Dimorfie | Tweevormigheid bij dezelfde soort. Meestal wordt bedoeld het verschil in secundaire geslachtskenmerken tussen mannen en poppen. |
|
| Diploïde-chromosoom | Een chromosoompaar. |
|
| Dominant | Overheersend. |
|
| Embryo | Vruchtbeginsel ontwikkelingsstadium van kiemcel tot geboorte. |
|
| Entalzijde | Het naar de binnenkant gerichte deel van de veer. |
|
| Enzymen | Stoffen, die een chemisch proces kunnen versnellen of vertragen. |
|
| Erfelijkheid | Het verschijnsel dat organismen en hun nakomelingen waarneembare kenmerken vertonen. |
|
| Eumelanine | Staafvormige kleurstof dat in diverse graden van oxydatie, in kleur kan variëren van zwart tot zandkleurigbruin. |
|
| Evolutie | Het ontstaan van nieuwe levensvormen via de weg der geleidelijkheid. |
|
| Extalzijde | Het naar de buitenkant gerichte deel van een veer. |
|
| Factoren | Eigenschappen of kenmerken die gedragen worden door genen. |
|
| Factormutatie | Puntmutatie, verandering van één gen. |
|
| Fauna | De dierenwereld in het algemeen. |
|
| Fertiel | Vruchtbaar. |
|
| Fertiliteit | Vruchtbaarheid. |
|
| Filia | Zoon of dochter. Gebruikte afkortingen: F, f.
F1 = generatie in de eerste graad. F2 = generatie in de tweede graad. |
|
| Flora | De plantenwereld in het algemeen. |
|
| Follikel | Het deel van de huid, waaruit de veer te voorschijn komt. |
|
| Formule | De mogelijkheid om het genotype van een individu met symbool en tekens weer te geven. |
|
| Gameet | Mannelijke zaadcel of vrouwelijk eicel, bevat het halve aantal chromosomen (enkelvoudig chromosoomgarnituur). |
|
| Gekoppelde factoren | Factoren die gelegen zijn in dezelfde chromosomen. |
|
| Genen | Dragers van de erfelijke eigenschappen. Enkelvoudiger. |
|
| Genetica | Erfelijkheidsleer. |
|
| Genoommutatie | Door een mutatie uitbreiden van het chromosoomtotaal. |
|
| Genotype | Het erfelijke type, de erfelijke samenstelling van het individu. |
|
| Geslachtscel | Zaadcel van de man of eicel van de pop. |
|
| Geslachtschromosoom | Het x chromosoom, bevat de geslachtsbepalende factoren. Mannelijke vogels bezitten tweemaal x chromosoom. |
|
| Geslachtsgebonden factoren | Factoren die zich bevinden op het x chromosoom. |
|
| Halfzijder | Een individu dat aan de linkerzijde anders is dan de rechterzijde. Dit verschijnsel ontstaat door een somatische mutatie. |
|
| Haploïde-chromosoom | Eén chromosoom van een chromosoompaar. |
|
| Heterosoom | Geslachtschromosoom.
Chromosoom dat het geslacht van een persoon bepaalt. Bij vogels heeft elke cel van een man twee X-chromosomen, en bij een vrouw bevat elke cel een X- en een Y-chromosoom. |
|
| Heterozygoot | Meer verervend dan het eigen uiterlijk. Een heterozygoot individu vormt gameten van verschillende factoren. |
|
| Homologe chromosomen | Homologe chromosomen zijn twee overeenkomstige chromosomen in een celkern. Doorgaans, ook bij vogels, komen chromosomen voor in paren van homologe chromosomen, waarbij één exemplaar van de moeder komt en het andere van de vader. Twee homologe chromosomen hebben een gelijke opbouw, maar zijn niet identiek. Ze bevatten dezelfde genen op dezelfde plaats, maar met verschillende genetische informatie, omdat de allelen verschillend zijn. Beide homologe chromosomen kunnen bijvoorbeeld coderen voor de kleur van de eumelanine: de ene voor zwarte eumelanine en de andere voor bruine eumelanine. |
|
| Homologie | Het begrip 'homologie' duidt op een gemeenschappelijke voorouderlijke vorm. Het begrip wordt vooral gebruikt voor genen, maar ook voor bijvoorbeeld hele organen. Indien van twee genen wordt gezegd dat ze homoloog zijn betekent dit ze van hetzelfde voorouderlijke gen afstammen. |
|
| Homozygoot | Men noemt een individu homozygoot indien de erfelijke factoren gelijk zijn. Ook wel fokzuiver voor bepaalde kenmerken. |
|
| Hormonen | Stoffen die door klieren in de bloed- en lymfebaan gebracht worden; ze beïnvloeden elkaar en regelen vele functies. |
|
| Hybride | Zie bastaard. |
|
| Infertiel | Onvruchtbaar. |
|
| Ino | Niet volledig albino. Een ino is nog in het bezit van b.v. carotenoïde kleurstoffen. |
|
| Inteelt | Paring in nauwe verwantschap. |
|
| Intermediair | Het midden houdend tussen twee verschillende kenmerken of eigenschappen. |
|
| Intermediaire vererving | Onvolledig dominante vererving. |
|
| Iridisente kleuren | Metaalachtige kleuren, die variabel worden waargenomen onder invloed van de invalshoek van het licht. |
|
| Kanarie-xantophyl | Eén van de bij vogels voorkomende gele kleurstoffen. |
|
| Keratine: | Verhoornde opperhuidcellen van de veer. |
|
| Kiemcel | Bevruchte eicel, zygoot. |
|
| Kiemschijf | Groepje cellen op de eidooier, ontstaan na een aantal celvermeerderingen. |
|
| Klievings-deling | Deling van de éérste lichaamscel. |
|
| Kunstmatige mutatie | Mutatie door bestraling of een andere natuurlijke ingreep. |
|
| Latent | Verborgen, een latente factor wil zeggen dat de werking van deze factor verborgen of verscholen aanwezig is. |
|
| Letaal | Dodelijk. Een letale factor is een factor die een dodelijke werking uitoefent op het individu. Van een letaal werkende factor is bekend dat deze de ontwikkeling van de kiemcel stuit. |
|
| Leucisme | Leucisme is een afwijking bij dieren en mensen die leidt tot een verminderde pigmentatie. Leucisme lijkt op albinisme en wordt daar soms mee verward. Leucisme resulteert in een vermindering van alle types huidpigment, niet slechts van melanine.
Dieren met deze afwijking hebben een witte vacht, huid, veren of schubben. De afwijking kan ook alleen voor delen van het lichaam zijn. Het verschil met albinisme is dat leucistische dieren hun normale kleur ogen hebben. Albinistische dieren hebben rode ogen.
|
|
| Lichaamscel | De cellen waarmee het individu is opgebouwd. |
|
| Locus | Plaatsaanduiding voor de vaste positie van genen in de chromosomen. |
|
| Luteïne | Eén van de bij vogels voorkomende gele kleurstoffen. |
|
| Macro-chromosomen | Relatief grote chromosomen. |
|
| Man | Mannelijke vogel. 1-0 betekent man. symbool voor een man. |
|
| Meervoudige mutatie | Meerdere toestandveranderingen van een en dezelfde wildfactor. |
|
| Meiose | De meiose of reductiedeling is een tweedelig delingsproces dat voortplantingscellen produceert: namelijk eicellen en zaadcellen/stuifmeelkorrels bij planten en dieren, en sporen bij schimmels, mossen en varens. De homologe chromosomenparen zullen daardoor niet meer samen voorkomen in de moedercel. Wat genetisch van man en van pop is zal volgens toeval over de dochtercellen worden verdeeld.
De moedercel is diploïd en bevat homologe chromosomen. De dochtercellen bevatten slechts 1 chromosoom van elk homoloog paar en worden haploïd genoemd (de term moeder in moedercel heeft hier de betekenis van oorsprong en dochtercel deze van ontvanger). |
|
| Melanine | Staaf- of korrelvormige kleurstof. |
|
| Melanisme | Melanisme is het tegenovergestelde van albinisme en betekent dat een enkel individu van een (meestal dier)soort een overwegend zwarte kleur heeft, terwijl andere individuen een andere, meestal lichtere kleur hebben. |
|
| Melanoblasten | Primaire pigmentcellen of zwartkiemen, noodzakelijk voor de ontwikkeling van melanine. Zie melanocyten. |
|
| Melanocyten | In een verder stadium verkerende pigment cellen, waarin melaninekorrels worden afgezet. Zie melanoblasten. |
|
| Micro-chromosomen | Relatief kleine chromosomen. |
|
| Mitose | De mitose of kerndeling is het proces waarbij de chromosomenparen zich verdubbelen en paarsgewijs uit elkaar gaan. Dit is een onderdeel van de celcyclus. |
|
| Mm-reeks | Meervoudige mutatiereeks, de vogels van dominantie van gemuteerde factoren die dezelfde wildfactor hebben. |
|
| Modificatie | Niet erfelijke verschillen in de ontwikkeling van individu met dezelfde erfelijke aanleg door omstandigheden zoals andere voeding of een ander milieu. |
|
| Molecuul | Kleine deel, waarin een stof scheikundig kan worden zonder te veranderen. |
|
| Monogaam | Eén partner hebbende. |
|
| Multiple-allelomorfen | Zie meervoudige mutatie. |
|
| Mutageen | Een genotoxische stof of mutageen (samenvoeging van mutatie en genese) is een chemische stof of elektromagnetische straling die het DNA beschadigt en zo erfelijke veranderingen kan veroorzaken (mutaties). Mutagene stoffen zijn stoffen die (langzaam) het DNA in de celkern veranderen |
|
| Mutant | Gemuteerde factor of gewijzigde verschijningsvorm van een soort a.g.v. een mutatie. |
|
| Mutatie | Plotselinge toestandverandering van erfelijke aanleg. Men onderscheidt al naar gelang de oorzaak. 3 soorten mutaties:
de factormutatie of puntmutatie,
de chromosoommutatie,
de genoommutatie. |
|
| Mutatiecombinatie | Het in één individu verenigen van twee of meer verschillende mutagene kenmerken. |
|
| Nomenclatuur | betekent in het algemeen: naamgeving. Onder wetenschappelijke nomenclatuur verstaat men het op systematische wijze benoemen van allerlei zaken. Zo worden eenduidige namen gegeven aan planten, dieren, chemische stoffen, etc. Dit heeft een eenduidige communicatie als doel: idealiter heeft een wetenschappelijke naam voor iedereen die ermee werkt dezelfde, unieke betekenis. Wetenschappelijke namen worden veel in de taxonomie gebruikt, bij de indeling van levensvormen. |
|
| Onafhankelijke factoren | Factoren die onafhankelijk van elkaar vererven, maar wel gelijktijdig kunnen optreden. |
|
| Ongemuteerde factor | De oorspronkelijke factor, de wildfactor of wildallele. |
|
| Organisme | Individu, levend wezen. |
|
| Ornithologie | Grieks woord voor vogelkunde: Ornitholoog is vogelkundige of vogelkenner. |
|
| Ovarium | Eierstok. |
|
| Oxydatie | Het m.b.t. een enzyme ontstaan van melanine. |
|
| Phaenotype | De uiterlijke verschijningsvorm, het totaal van de uiterlijke kenmerken. |
|
| Phaeomelanine | Korrelvormige roodbruine kleurstof. |
|
| Pigment | Algemeen: een pigment is een stof die een kleur reflecteert. Pigmenten ontlenen hun kleurwerking aan de absorptie van bepaalde golflengtes van het zichtbare licht. Een pigment dat alle golflengten absorbeert heeft een zwarte kleur, een pigment dat alle golflengten reflecteert is wit. Een pigment dat vooral rode, oranje en gele golflengtes absorbeert, zal een groenblauwe kleur vertonen. Het pigment vertoont dus de kleur van het licht dat erop reflecteert.
Ornithologisch: gebruikt als de verzamelnaam voor eumelanine en feomelanine. |
|
| Pluriform | Verschillend. |
|
| Polymere factoren | Veroorzaken gezamelijk één kenmerk. |
|
| Polymerie | Samenstelling uit meer delen. |
|
| Pop | Vrouwelijke vogel, 0-1 betekent pop, is het symbool voor pop. |
|
| Proefparing | Een paring die wordt uitgevoerd om te onderzoeken welke eigenschappen een individu heeft. |
|
| Puntmutatie | Eigenschapverandering van één gen of factor, terugmutatie is waargenomen. |
|
| Recessief | Terugtredend, bij een paring van twee gelijke in verschijningsvorm kan een kenmerk optreden dat geen van beide oudervogels bezit. Het kenmerk dat dan optreedt noemt men recessief. |
|
| Recombinant | De ontstane variatie na een recombinatie. |
|
| Recombinatie | Het van plaats verwisselen van gekoppelde factoren in een chromosoompaar. In de genetica spreekt man vaak van crossing-over. |
|
| Reductiedeling | De deling van de geslachtscellen, waarbij het aantal chromosomen wordt gereduceerd tot de helft. |
|
| Regeneratie | Herstel van oorspronkelijke kenmerk door het organisme zelf. |
|
| Reserve mutatie | Terugmutatie, de gemuteerde factor herneemt zijn oorspronkelijke toestand. |
|
| Rhodaxanthine | Eén van de bij vogels voorkomende rode carotenoïde kleurstoffen. |
|
| Rudimentair | Nauwelijks ontwikkeld. |
|
| Sex-index | De verhouding van de geslachtskenmerkende factoren tussen de man en de pop. |
|
| Somatische cel | Lichaamscel. |
|
| Somatische mutatie | Mutatie in of van een somatische cel. Deze mutatie is niet erfelijk. |
|
| Spectrum | Verzameling van de verschillende kleuren lichtstralen, die in daglicht voorkomen. |
|
| Spermatozoïden | Mannelijke cellen, die dienen voor de voortplanting. |
|
| Split | Meervoudige verervend. Ook wel ras-onzuiver voor een kenmerk. Aan een individu dat split is voor een bepaald kenmerk is niet te zien, het heeft wel de mogelijkheid om het kenmerk te vererven. Grijs/bruin = grijs, split voor bruin. Grijs/bruin+masker = grijs, split voor bruin en split voor masker. |
|
| Symbool | Een letter of teken waarmee in een formule kenmerken of eigenschappen kunnen worden aangegeven. |
|
| Terugmutatie | Een gemuteerde factor die zijn oorspronkelijke toestand herneemt. |
|
| Tyndall-effect | Het optreden van blauweffect in de bevedering als gevolg van breken, verstrooien en terugkaatsen van de blauwe stralen uit het lichtspectrum. |
|
| Tyrosinase | Het noodzakelijke enzyme om oxydatie van melanine te doen plaats vinden. |
|
| Tyrosine | De grondstof, waaruit het enzyme tyrosinase wordt gevormd. |
|
| Vacuole | Structuur in de bevedering, waardoor het tyndaal-effect optreedt. (Holten, waarin reserve eiwitten zijn opgestapeld). |
|
| Wildfactor | De oorspronkelijke, niet gemuteerde kleur. |
|
| Wildkleur | De oorspronkelijke soorteigen kleur. |
|
| Wildvorm | De oorspronkelijke vorm. |
|
| Zeaxanthine | Zeaxanthine |
|
| Zygoot of zygote | Kiemcel. De samengesmolten mannelijke en vrouwelijke gameten. Bij de samenstelling van gameten van hetzelfde genotype ontstaat een homozygoot individu. |